born 1985 in Delft, the Netherlands

living and working in
the Netherlands


artist / painter / sculptor

selected works from 2009 - 2020




Curriculum Vitae




send me an email

follow me ︎ 

hear me ♬





1.

Dus Aldo staat voor de deur in zijn Mercedes/Jeep/Te paard.

Hij belt lang en hard aan. Door de intercom roept hij: 'Hey, baby, kom je mee?'

Als je hem vraagt waar gaan we naartoe? citeert hij Richard Brautigan.

'Baby,' zegt hij. 'Let’s pretend my mind is a taxi, and suddenly you are riding in it.'




2.

We rijden in de taxi. Tegen de taxichauffeur heeft hij gezegd: 'Het is goed voor jouw bedrijf dat ik met je mee rijd.' De taxichauffeur knikt. Aldo opent het raam, steekt een sigaret op. Hij wijst een gebouw aan. 'Van dat gebouw ben ik een keer afgesprongen,' zegt hij. Hij vertelt levendig en buigt iets naar voren. Sigarettenrook vult de wagen. 'Het heeft geen zin om mij in twijfel te trekken,' zegt hij. 'Alles wat kan gebeuren, kan gebeuren.'




3.

'Baby,' zegt hij, 'ik ben verdrietig.'

De reden van zijn verdriet: dat alles verdwijnt.

De reden van zijn verdriet: dat hij zich van de plekken vandaan moet bewegen waar anderen blijven.

'Geef wat extra gas,' zegt hij tegen de taxichauffeur. 'En zet me af op een plek waarvan je denkt die de moeite waard is om betekenis te gaan dragen.'




4.

De taxichauffeur stopt gratis en abrupt bij het kasteel/een bruidssuite/het gekkenhuis/een pottenbakkerij/een braakliggend terrein/het bos. Hij duwt Aldo een papiertje in zijn handen. 'Bel me als je me nodig hebt.’

Aldo belt meteen nadat hij is uitgestapt. Er wordt niet opgenomen. Daarna belt hij mij. Hij belt me vaak, al weet hij dat ook ik nooit opneem. Soms bel ik terug, maar we bellen langs elkaar heen. We zijn eigenlijk nooit echt in elkaars leven. 'Niemand is ooit echt in je leven, toch?' zegt hij. Hij praat mijn voicemail vol, klinkt altijd dronken, al drinkt hij dertig blikken nul punt nul. Hij heeft zoveel verhalen te vertellen dat hij zijn eigen verhaal vergeet.

Op een dag neem ik toevallig toch mijn telefoon op. 'Wat ben je aan het doen?' vraag ik.

'Aan het veranderen,' zegt hij.




5.

Dus hij tekent zijn vriendin. Hij tekent zijn kinderen, zijn hond, de plekken die hij achterliet. Zijn vriendin is moe als ze terugkomt van haar werk. Ze heeft geen zin om voor hem te poseren. Ze wil dat hij naar haar kijkt zonder doel, dat hij er gewoon is. Dat willen ze allemaal. Zijn kinderen, zijn hond, de plekken die hij achterliet.




6.

Michael Goldman schreef: ‘Als de muze komt zegt ze niet dat je moet schrijven;/ Ze zegt sta even op, ik wil je iets laten zien, ga daar even staan.’




7.

Op een ochtend wordt hij wakker in Amsterdam/Tokio/Berlijn/Londen/Siberië/Antwerpen/New York. Het zal wel op een station geweest zijn. Het zal wel op een plek geweest zijn tussen aankomst en vertrek. Hij kan het zich niet herinneren vanwege de drank. Alle paneeltjes die hij in zijn zak met zich meedroeg om studies te maken van wat hij ziet (om er te zijn) zijn verdwenen. Alles lijkt verdwenen. Verloren misschien. De dood is in hem aanwezig. Om het goed te maken met zichzelf en met de wereld, steelt hij een hond. Hij zegt: 'ik steel nooit iets, ik leen enkel.' 'En soms,' zegt hij, 'wil iets of iemand simpelweg met je mee.' De hond heeft hem uitgekozen op een moment dat ze elkaar nodig hadden, hij liep gewoon achter hem aan. Als hij de hond vergeet op een parkeerplaats, op een feest of aan zee, wacht het dier rustig af tot hij opgehaald wordt.

Hij leende de hond en stopte met drinken. Dat veranderde zijn werk. Het werk en het leven passen zich als vanzelf aan elkaar aan. Ze lopen achter elkaar aan en gelijk op, zoals hij en de hond.




8.

Zo’n meisje wil ik.




9.

Inkomend: Voicemail: Aldo van den Broek:

'Ik eet alleen nog maar rauwe shit. Dus ik dacht: ik koop een zalm. Het liefst had ik die zalm zelf willen vangen, maar dat gaat niet in Amsterdam. Dus ik koop een zalm. Van mijn laatste geld. Ik bel mijn vriendin en zeg: ik heb een zalm voor je gekocht. Als ze voor mijn deur staat sla ik haar met de zalm in haar gezicht. What de fuck doe je? zegt ze. Ik marineer de zalm, zeg ik. Ik snijd de zalm in dunne plakjes op een Japanse snijplank. Ik sla haar liever in haar gezicht met die rauwe vis, maar je weet dat ik een feminist ben. Dus ik eet heel langzaam de plakken zalm van haar kutje. Ik kijk naar de kleurencombinatie en ik denk aan rauw vlees en seks en ik weet: dit is mijn werk.'




10.

Alle vis die over is gebleven bakt hij de volgende dag voor één van de mannelijke modellen die voor hem poseren.

Het model schenkt hem een paard in ruil voor een werk.

Model: ‘Ik dacht: deze cowboy heeft een paard nodig.’




11.

Om zijn kinderen te verrassen tuigt hij het paard op en maakt een tocht naar Berlijn. Het paard staat de kinderen schuimbekkend voor de school op te wachten. Omdat Aldo geen huis heeft en geen stal neemt hij zowel de kinderen als het paard mee naar een hotelkamer in het centrum van de stad. De kinderen denken dat ze dromen, dat ze in een film zitten. Later zullen ze zeggen: mijn vader kon alles maken, maar echt leuk was het niet.




12.

Één van de 365 ansichtkaarten naar zijn kinderen:

Ik ben hier en ik denk aan jullie. Het paard is ziek, maar zodra hij beter is vliegen we naar jullie toe.




13.

Na de trip naar Berlijn bleef het paard schuimbekken. Het was iets in zijn hoofd, het zou een lijdensweg worden zei de dierenarts. Aldo is samen met het paard zonder zadel naar zee gereden. Ze keken elkaar aan en begrepen elkaar. Ook het paard wist dat het niet te redden viel. ‘Loop de zee maar in, lieve jongen,' zei Aldo. 'Dat is een zachtere dood.' Het paard liep kalm de zee in, Aldo keek hem na vanaf het strand tot hij uit het zicht was verdwenen. Het dier heeft nog lang kunnen zwemmen, maar niemand wint het van de zee.




14.

Aldo staat trillend voor mijn deur. 'Baby,' zegt hij. 'Het gaat mis met die taxirit, het moet stoppen. Ik denk dat ik even een plek moet vinden om te blijven.' Of hij op mijn zolderkamer mag logeren. 'Ik heb tartaar voor je meegenomen, daar bedoel ik niets seksueels mee verder.' Hij ligt op mijn bank te roken. Niet veel later is hij weer vertrokken. Hij is gebeld door één van de jongens die hij heeft getekend. Of hij op een villa wil passen in Tokio. Hij staat op en knijpt een (nul punt nul) bierblikje fijn. 'Als ik wil, verkoop ik dit blik, maar jij mag het hebben van mij.'




15.

Niets van wat je maakt staat op zichzelf. Jijzelf niet, kinderen niet, kunst niet. Het is ook altijd van een ander. Misschien is het zelfs vooral van een ander. Je zou kunnen zeggen dat Aldo wil bestaan, maar uiteindelijk heeft alles wat hij doet natuurlijk weer meer te maken met zijn wens ook te kunnen verdwijnen. Het verdwijnen is een onbewust proces, maar overal aanwezig. En dus zal het verdwijnen ironisch genoeg juist het bewijs zijn dat hij leeft. (dit vertel ik Aldo als hij vraagt hoe ik hem zie)

‘Meen je dat, man, zie jij mij zo?'

'Hoe zou jij jezelf omschrijven?'

'Een bad end story,' zegt hij.




16.

Zijn telefoon gaat. Het is de taxichauffeur. 'Ik kom je halen,' zegt die man. 'Het heeft lang genoeg geduurd. Het wordt tijd dat je weer ergens anders gaat kijken.'

'Yes,' zegt Aldo. 'Ik sta klaar. We gaan.’





text
Maartje Wortel

In Every Dream Home A Heartache (2020)